Of Roberto Saviano nu de jongen is die zijn eerste, al volwassen schreden zet in de wereld van de literatuur en het antimaffiaverzet, of de succesvolle schrijver is die samen met Salman Rushdie wordt uitgenodigd door de Nobel Academie in Stockholm om te spreken over ‘Freedom of speech and lawless violence’, of omarmd wordt door de slachtoffers van de aardbeving in de Abruzzen, hij blijft altijd zichzelf.
In De schoonheid en de hel vertelt hij onder meer over voetbalheld Lionel Messi, maar ook – onder het motto: wie schrijft, die sterft – over Anna Politkovskaja, die vermoord werd omdat er geen andere manier was om haar het zwijgen op te leggen, over Miriam Makeba, die naar Castel Volturno kwam om de laatste eer te bewijzen aan zeven Afrikaanse broers die stierven door toedoen van de camorra. Ze stierf tijdens het benefiet, dat nota bene ter ere van Saviano was georganiseerd. Over Enzo Biagi, die Saviano interviewde tijdens diens laatste uitzending, over Felicia, de moeder van antimaffia-activist Peppino Impastato (vermoord in 1978), die twintig jaar lang de moordenaar van haar zoon in de ogen heeft moeten kijken voordat ze gerechtigheid kreeg.
Pagina voor pagina zet Saviano zijn vertrouwen kracht bij, zijn vertrouwen in het woord dat de werkelijkheid weet te ontzetten, dat weerstand biedt tegen welke machtsvorm dan ook, en hem getuige laat zijn van de zekerheid dat ‘de waarheid, ondanks alles, bestaat’. |